Vragenlijst humaan

 

 

 

print deze pagina

 

Aanwijzingen

Kijk de vragenlijst eerst door en beantwoord daarna de vragen op een apart papier onder vermelding van de cijfers en letters.

Vermijd zoveel mogelijk antwoorden als ‘ja’, ‘nee’, redelijk, normaal enz. Probeer toe te lichten en voorbeelden te geven van hoe het er bij u bijstaat. Probeer mij een idee te geven hoe het met u gesteld is.

Voor een holistische diagnose zijn alle klachten, symptomen en alles wat verandert is belangrijk, net als alles wat u al van jongs af heeft.

Tijdens het consult worden de antwoorden nog eens met u doorgelopen. U kunt dus altijd nog aanvullingen of een toelichting geven.

Als u iets kwijt wilt waar niet naar gevraagd wordt, voeg dit dan gerust toe.

 

Algemeen

  1. Wat is uw leeftijd
  2. Hoe laat en in welke plaats bent u geboren

 

Deel 1. Vragen betreffende uw klachten of ziekten

Uw huidige klachten 

  1. Beschrijf de klachten waarvoor u bij mij komt
    1. Wanneer is het begonnen?
    2. Was er een oorzaak of aanleiding? (ongeval, ziekte, emotionele gebeurtenis)
    3. Welke omstandigheden beïnvloeden de klachten? (kou, warmte, weer, lichaamshouding, tijd van de dag of nacht, licht, geluid)
    4. Worden de klachten beïnvloed door lichaamsfuncties? (eten, drinken, seks, slapen, plassen, stoelgang, zweten, beweging, rust, menstruatie)
    5. Worden de klachten beïnvloed door geestelijke of emotionele omstandigheden? (geestelijke inspanning of ontspanning, studeren, lezen, vreugde, verdriet, schrik, ergernis, boosheid, teleurstelling)
    6. Kunt u iets doen om de klachten te verlichten?
    7. Moet u iets nalaten om te voorkomen dat de klachten verergeren?
    8. Doen zich samen met de klachten andere verschijnselen of gewaarwordingen voor? (diarree met zweten, hoofdpijn met beven)
    9. Welke geneesmiddelen of andere therapieën gebruikt u momenteel?
  1. Eventuele andere klachten

Heeft u andere klachten behalve die welke u hierboven heeft beschreven? Checklist:

Hoofd – haar – evenwicht  - duizelig – oren – gehoor – ogen – gezichtsvermogen – neus – reukvermogen – kaakholten – voorhoofdsholte – gelaat – mond – lippen – tong – smaak – speekselklieren – gebit – zenuwbehandelingen – tandvlees – keel – amandelen – hals – klierzwellingen – schildklier – maag – darmen – buik – buikwand – breuken – ontlasting – nieren – blaas – urine – prostaat – geslachtsorganen – geslachtsziekten – eierstokken – teelballen – baarmoeder – strottehoofd – stem – spraak – longen – ademhaling – hoesten - slijm opgeven – borstkas – ribben – hart -  bloedvaten – rug – wervelkolom – ledematen - klierzwelling in oksels of liezen – huid – jeuk – uitslag – puisten – wratten - littekens 

  1. Vroegere klachten en ziekten

Maak een overzicht van alle klachten, aandoeningen en ziekten die zich in de loop van uw leven hebben voorgedaan, met het jaartal of uw leeftijd erbij. Vermeld ook operaties, ongelukken en inentingen.

  1. Ziekten in de familie

Welke klachten, ziekten of aandoeningen komen of kwamen in uw familie voor ((voor) ouders, kinderen en andere bloedverwanten)

 

Deel 2. De kenmerken van uw gestel en de reacties op omgevingsfactoren  

A Stoffelijke zaken

Omgevingsfactoren 

  1. Hoe reageert u op de wisseling der seizoenen?
  2. Welk klimaat verkiest u? Waarheen zou u het liefst met vakantie gaan of juist niet? Krijgt u wellicht klachten in een ander klimaat?
  3. Bent u gevoelig voor weersomstandigheden? Hoe reageert uw gestel op warm weer, koud weer, vochtig weer, droog weer, mist, verblijf in de zon, in de wind? Maakt het verschil uit, uit welke richting de wind komt?
  4. Bent u gevoelig voor weersveranderingen? Voelt u het van te voren aankomen wanneer het weer omslaat? Hoe reageert uw gestel bijvoorbeeld als er een storm op komst is? Of bij onweer, als er sneeuw in de lucht zit, als de dooi in aantocht is?
  5. Heeft u veel behoefte aan frisse lucht? Hoe reageert u wanneer u een hele dag binnen moet verblijven? Slaapt u met een open raam?
  6. Hoe verdraagt u tocht, airconditioning, afkoeling door zwemmen of natregenen? Hoe vaak vat u kou? In welk seizoen?
  7. Hoe verdraagt u kamerwarmte, stralingswarmte van een kachel of open haard, centrale verwarming, een warm bad, een warme douche of de sauna?

 

Algemeen functioneren van uw gestel 

  1. Bent u kouwelijk of hebt u altijd voldoende lichaamswarmte? In bed maakt je lichaam zelf warmte; krijgt u het hierdoor wel eens te warm en hoe lost u dat op?
  2. Wat voor soort kleding draagt u graag? Hebt u behoefte aan warme kleding of juist aan luchtige kledij? Bent u gevoelig voor de druk van uw kleding? Bij welke lichaamsdelen?
  3. Transpireert u makkelijk? Welke delen van uw lichaam transpireren het meest of het snelst? Hoe reageert u als u gaat transpireren? Wat is de hoedanigheid van het zweet: wordt de huid er vet van, hoe is de geur? Transpireert u in uw slaap?
  4. Hoe staat het met uw eetlust? Op welke tijden van de dag heeft u trek? Ook ’s nachts? Hoe reageert uw  gestel als u een maaltijd moet uitstellen of overslaan? Neemt u reacties waar in uw gestel, voor, tijdens of na een maaltijd?
  5. Wat eet u graag? Zijn er dingen waar u een uitgesproken voorkeur voor heeft of waar u een sterke behoefte aan hebt?
  6. En zijn er voedingsmiddelen waar u een sterke afkeer van hebt?
  7. Welke voedingsmiddelen kunt u niet verdragen? Om welke reden?
  8. Bent u dorstig? Hoeveel en wat drinkt u zoal op een dag?
  9. Wat rookt u op een dag? Hoeveel alcoholische drank gebruikt u? Gebruikt u kruidenmiddelen of huismiddeltjes?
  10. Hoe is uw seksuele energie? Doen zich ongemakken of stoornissen voor in verband met uw seksuele activiteit? Bijvoorbeeld droge slijmvliezen, erectiestoornissen, spierkrampen bij de gemeenschap, rugpijn, vermoeidheid of duizeligheid naderhand?
  11. Hoe slaapt u? Hoe staat het met inslapen, doorslapen, zijn er bepaalde tijden dat u wakker wordt en hoe lang blijft u dan slapeloos?
  12. In welke houding slaapt u? Is dat altijd uw slaaphouding geweest?
  13. Zijn er bepaalde activiteiten in uw slaap vast te stellen? (praten, lachen, huilen, gillen, knarsetanden, kwijlen, open ogen, open mond, slaapwandelen, woelen, smakken)
  14. Droomt u? Herinnert u zich uw dromen? Over welke onderwerpen droomt u?
  15. Hoe laat wordt u wakker en hoe voelt u zich bij het wakker worden? Hoe voelt u zich na het opstaan?
  16. Is er een bepaalde periode van de dag dat u zich minder fit voelt of slaperig bent?
  17. Heeft u voorkeur voor een bepaalde lichaamshouding? Weet u waarom? Heeft u een afkeer van bepaalde houdingen? Hoe reageert u op een poos staan, knielen, bukken, liggen, op linker of rechterzij liggen, buikligging
  18. Hoeveel lichaamsbeweging heeft u nodig om zich plezierig te voelen? Welke sport(en) beoefent u? Hoe is uw uithoudingsvermogen?
  19. in welk tempo loopt u, praat u, eet u, schrijft u?

 

Voor vrouwen vraag 31-39:

  1. Op welke leeftijd was u voor het eerst ongesteld?
  2. Wanneer was de laatste menstruatie?
  3. Met welke regelmaat bent u ongesteld? Indien u niet meer ongesteld wordt, vermeld dan hoe het vroeger verliep.
  4. Hoeveel dagen vloeit u?
  5. Hoe vloeit u: hoeveelheid, kleur, geur, stolsels?
  6. Op welk tijdstip van de dag of nacht vloeit u het meest. Ontbreekt de vloeiing wel eens?
  7. Doen zich bij de menstruatie bepaalde verschijnselen voor? Gevoelens, stemmingen, gewaarwordingen>
  8. Hoeveel zwangerschappen heeft u doorgemaakt? Hoe zijn deze verlopen? Hoe verliepen de bevallingen? Heeft u miskramen gehad?
  9. Heeft u wel een last van witte vloed (afscheiding)? Wanneer? Beschrijf de hoedanigheid en geur. Etst de afscheiding de huid? Is zij vloeibaar, pasta-achtig, tast zij het ondergoed aan?

 

B Niet-materiële zaken 

Omgeving

  1. Hoe is uw dagindeling? Welke verplichtingen heeft u: gezin, werk, opleiding?
  2. Hoe besteedt u uw vrije tijd? Van welk soort ontspanning geniet u het meest?
  3. Gaat het u gemakkelijk af contacten te leggen of een gesprek aan te knopen? Welk gezelschap verkiest u? Hoe voelt u zich wanneer u alleen bent? Hoe voelt u zich in grote gezelschappen, zoals een kamer vol mensen, in een kerk, theater, bioscoop, groot warenhuis, drukke winkelstraat?
  4. Bent u gehuwd of heeft u op andere wijze een levenspartner gevonden? Wat zou u in deze relatie willen veranderen?
  5. Hoe voelt u zich als u lang moet wachten?
  6. Hoe reageert u op zorgen?
  7. Bij welke omstandigheden huilt u? Zijn er bepaalde tijden dat u huilerig bent?
  8. Wat voor uitwerking heeft troost op u?
  9. Kent u het gevoel jaloers te zijn? Wanneer deed of doet dat zich voor?
  10. Kent u het gevoel wanhopig te zijn? Wanneer deed of doet zich dat voor?
  11. Hoe gedraagt u zich als u boos bent? Vertoont uw lichaam dan bepaalde reacties?
  12. Heeft u wel eens verschijnselen of gewaarwordingen gekregen ten gevolge van emoties, zoals ergernis, verdriet, teleurstelling in de liefde, vernedering, verontwaardiging, slecht nieuws, schrik, blijde verrassing?

 

Uw functioneren als persoon

  1. Heeft u in het oog springende eigenschappen of karaktertrekken? Krijgt u hier wel eens opmerkingen over vanuit uw omgeving? Heeft u zogenaamde ‘slechte’ gewoonten, zoals nagelbijten, neiging om te vloeken, neuspeuteren?
  2. Hoe voelt u zich in het algemeen bij uw dagelijkse bezigheden, als u niet met iets speciaals bezig bent? Waar gaan uw gedachten dan naar uit? Dringen zich bepaalde gedachten op, zoals onaangename gedachten, kinderlijke fantasieën, seksuele invallen, angstige gedachten?
  3. Hoe is uw geheugen? Kunt u bepaalde dingen slecht onthouden, bv namen, getallen, data?
  4. Hoe is uw concentratievermogen, bij lezen, televisie kijken, in een gesprek?
  5. Kunt u altijd helder denken en uw gedachten onder woorden brengen?
  6. Maakt u wel eens onwillekeurige schrijffouten, verschrijvingen of versprekingen?

 

 

Deel 3. De loop van de tijd en nog enkele belangrijke zaken  

  1. Hoe denkt u terug aan het leven dat u tot nog toe achter u hebt?
  2. Wat zijn de belangrijkste gebeurtenissen in uw leven geweest?
  3. De meeste mensen kennen wel bepaalde angsten. Bij welke gelegenheden heeft u zich bang of angstig gevoeld? Komt dat nog wel eens voor? Hebt u last van bijvoorbeeld:

Angst voor de nacht, voor donker, alleen zijn, dat er inbrekers komen, bepaalde dieren, ziekte, spoken en geesten of hogere machten, je verstand verliezen of gek worden, te zullen vallen, geluiden in de nacht, armoede, storm, onweer, watervrees, hoogtevrees?

  1. Hoe zijn uw gedachten over de dood, doodgaan, dood zijn? Onder welke omstandigheden gaan uw gedachten hiernaar uit? Zijn er wel eens omstandigheden geweest dat u liever dood wilde zijn? Wat dacht of deed u toen?
  2. Wat betekent religie voor u? Wat voor gevoel geeft het u, te bedenken dat er een almacht is?
  3. Hoe ziet u de toekomst tegemoet? Heeft u verplichtingen, plannen, ambities?

 

 

Deel 4. Vragen in het bijzonder voor kinderen.  

Veel van de voorgaande vragen kunnen ook van toepassing zijn op kinderen. Neem daarom in ieder geval de vragen door en beantwoord alle vragen die van toepassing zijn. Voor kinderen tot 5-6 jaar is het aan te bevelen dat beide ouders ook de vragen beantwoorden (op zichzelf betrekking hebbend). Deze gegevens zijn in verband met erfelijke factoren van nut voor het vinden van het juiste middel voor het kind.

 

  1. Hoe is de ontwikkeling van uw kind verlopen? Hoe verliep de zwangerschap? Hoe is de bevalling verlopen? Welke voeding heeft uw kind gehad? Hoe werd die verdragen? Moest  het kind vaak spugen? Hoe ging de overgang van borstvoeding naar flessenvoeding en naar vast voedsel? Hoe was de groei? Zijn er op het consultatiebureau punten van bijzondere aandacht aan de orde geweest? Hoe oud kwam het eerste tandje? Ging het tanden krijgen met problemen gepaard? Hoe oud ging uw kind los lopen? Hoe oud begon het kind te praten met hele zinnetjes? Hoe oud werd het zindelijk, overdag en ’s nachts? Hoe heeft uw kind op de inentingen gereageerd?
  2. Algemeen functioneren: Hoe speelt uw kind? Heeft het voorkeur voor bepaalde soorten spelletjes? Wat vindt u kenmerkende eigenschappen van uw kind? Wanneer u het vergelijkt met broertjes, zusjes  of leeftijdgenootjes, wat valt u dan op? Hoe is uw kind in zijn gedrag: rustig, beweeglijk, ernstig of juist de clown uithangend, veel behoefte aan lichamelijk contact, meegaand, dwars, brutaal, verlegen, eigenwijs, stijfkoppig, angstig, gezellig of teruggetrokken? Hoe is de reactie op een terechtwijzing? Hoe gaat het op school? Zijn er problemen met de leerstof? Hoe is het contact met klasgenootjes? Krijgt u van de leerkracht op- of aanmerkingen of aanwijzingen?
  3. Welke punten vragen uw bijzondere aandacht bij de opvoeding?

 

 

 

print deze pagina

 

 

Jyoti